Ontstond er na de ijstijd eerst een toendralandschap; met de stijging van de gemiddelde temperatuur veranderde dit in een bos- en veenlandschap. Door de vorming van keileem in de ijstijd wilde het water op sommige plaatsen slecht weg met als gevolg hoogveenvorming. De eerste mensen vestigden zich op de hogere delen in het landschap langs de rivierlopen. Door de toenemende bevolking veranderde het landschap. De bossen en het veen verdwenen langzamerhand. De heidevelden, ontstaan door begrazing met schapen, kwamen daarvoor in de plaats. Grote delen van Berkelland veranderden in natte heidevelden.
Er ontstonden enkele bewoningskernen. Verspreid in het landschap werden kleine boerenbedrijven gevestigd op verhogingen in het landschap. Op die verhogingen werd landbouw bedreven. De grond werd vruchtbaar gemaakt met schapenmest en heideplaggen. Zo ontstonden de essen en een-mans esjes. Door de bevolkingsontwikkeling en de toenemende behoefte aan landbouwgrond verdwenen de boerderijen van de essen en werd op de flank van de essen gebouwd. Veel één-mansesjes zijn verdwenen of nauwelijks herkenbaar onderdeel geworden van akkers en weiden.
